Galerij

Als ik wil slapen ben ik klaarwakker

Meestal heb ik het idee dat ik niet veel doe; ik teken vierkanten en praat met mensen. Toch ben ik na afloop moe. Wat doe ik eigenlijk als ik op locatie werk in een publiek atelier van United Objects? Een kleine inventarisatie van mijn manier van werken, een kijkje achter de schermen, ook voor mijzelf.

Met al mijn zintuigen ‘aangezet’, open ik de deur, kijk naar binnen en stap over de drempel. Ik zie tafels, lampen, biljarts, de bar, mensen, alles als één beeld in één oogopslag. Tegelijkertijd hoor ik muziek, kaatsende ballen en ergens een parelend lachje. Ik ruik een kluwen geuren van warme gerechten en lichamen, en adem die in. Ik voel met mijn huid hoe vol de ruimte met mensen en dingen is, maar ook hoe warm of koud het is. Ik voel de atmosfeer in zijn geheel, hoe aangenaam die is of niet. Mijn ogen vullen alle waarnemingen aan met concrete details: de biljarter met het kleurrijke hemd die staat te praten, iemand die aan de bar een bestelling doet bij Nicole –hij draagt een groene broek, De Roma-werkers die aan tafel zitten te eten. Het licht is een mix van lamplicht en daglicht. Er wordt gepraat, iemand slaat een krantenpagina om, bestek raakt een bord, er ligt een flyer op de grond. Al deze waarnemingen doe ik in die ene stap, de binnenstap, richting kapstok. In deze stap begin ik zowel mijn geest als mijn hart te openen, voor wie en wat er ook komen gaat. 

Binnen zet ik mijn tas neer, doe de jas uit, pet af. Na de binnenstap verhoud ik mij actief met wie er is. Ik groet iemand met woorden, een ander alleen met oogcontact, weer een ander met een gebaar of handdruk. Sommigen zoeken geen contact en laat ik met rust, ook dat is een actieve handeling. Zo voeg ik me in de atmosfeer en kies een tafel waar ik kan werken. Rustig loop ik heen en weer: haal koffie aan de bar, bekijk een voorpagina, maak een praatje, check wie van de aanwezigen ik ga uitnodigen, en verzamel alle spullen op mijn plek. Met mijn aanwezigheid neem ik ruimte in en beïnvloed ik de atmosfeer. 

Eenmaal geïnstalleerd kijk ik gerichter: wie wil uitgenodigd worden om mee te tekenen? De uitnodigingen zijn al met subtiele lichaamstaal begonnen. Net als de ruimte, zie ik de mensen individueel in één oogopslag. Ik ben ontspannen maar alert en toon gerichte aandacht voor ieder die in mijn blikveld komt. Oogcontact, een glimlach, een hoofdknikje, een gebaar met arm of hand gaan aan woorden vooraf. Zo opent de ruimte zich tussen mij en anderen voor een mogelijke ontmoeting. Een uitnodiging is een blijk van gastvrijheid en vertrouwen: er is hier ruimte en belangstelling voor je, kom gerust binnen. Soms is dan alleen al het tonen van een tekenstift en een wenkje, voldoende om iemand mee te laten doen.

Samen vierkanten tekenen op het tafeltje geeft gelegenheid om verder op de ander af te stemmen. Ik merk of iemand zich gemakkelijk voelt of niet. Soms geef ik extra uitleg, laat zien hoe ik een vierkantje teken, stel ik een vraag, of vertel wat ik de dag ervoor meemaakte. Er ontstaat een open gesprek of een betrokken zwijgen. Vooraf heb ik geen idee over de inhoud of richting van een ontmoeting, ik improviseer. Mijn zintuigen zijn deuren en ramen waardoor de ander kan binnenkomen in mijn hoofd, mijn gedachten en mijn hart. Soms vindt mijn openheid weerklank, soms niet. Zijn er meer gasten aan het tekenen dan breng ik ze met elkaar in gesprek. De kunstenaar is een publieke ruimte. 

Of brengt iemand mij in gesprek met de anderen, is alles in de ruimte aangezet om mij een plaats te geven, een tafel, stoelen, deelnemers? Na afloop pak ik alles in en berg de spullen op. Ik trek mijn jas aan, pak mijn tas en zeg goedendag. 

Later thuis, als ik wil gaan slapen, ben ik klaarwakker. 

Galerij

Als je dood bent kun je niets meer met je geld doen

In Kringwinkel Centrum is mijn plek een tafel bij het raam aan de straat, net naast de entree. ‘Deze tafel is voorlopig niet te koop’, staat op het etiket. Hij is bedoeld als buffer om te voorkomen dat de etalage overhoop gegooid wordt door geïnteresseerde klanten. Deze plek in de winkel maakt me enigszins portier. 

Een vrouw met een gegroefd gezicht komt binnen. Ik begroet haar en in één adem nodig ik haar uit mee te tekenen. Ze draagt een ski-jack dat op een dons-dekbed lijkt. Ik realiseer me dat ik het koud heb en dat mijn trui nog thuis op de leuning van de bank ligt. Snel neemt ze een stift aan, bekijkt het ding, haalt de dop eraf, kijkt hoe ik teken en begint mee vierkanten te tekenen op een tafelpoot. Af en toe kijkt ze me even aan zonder iets te zeggen. Na vijf minuten stopt ze met tekenen en begint te praten. 

“De meeste van mijn vrienden zijn homo. Mijn beste vriend is net met pensioen en zijn vriend gaat volgend jaar. Ik ga graag met homo’s om. Ze zijn eerlijker. Ze zijn vriendelijker tegen vrouwen. Met homo’s weet je waar je aan toe bent. Die gaan niet achter je rug allerlei onzin uithalen.” Sommige oude mensen hebben een uitstraling waardoor je weet dat ze vroeger onweerstaanbaar geweest moeten zijn. Als ze praat lichten haar ogen op tussen de lijnen in haar gezicht; een contrast dat zowel haar ogen als lijnen mooi accentueert.

Met twinkelende ogen zegt ze zacht: “Ik was een piraat. Op mijn 16e nam ik de auto van mijn vader en reed uiteindelijk de gracht in. Ik kreeg twee weken huisarrest. Dat was geen straf, het huis was groot, we hadden konijnen en kippen. Ik had drie ganzen en vertelde ze al mijn geheimen.” 

“Een maand geleden heb ik mijn BMW cabrio verkocht aan een achterkleinzoon. Ik ben nu op een leeftijd dat ik beter geen auto meer rijd. Het is jammer dat mijn zoon door een auto werd aangereden toen hij net vier dagen zestien was. Ik gebruik nog altijd zijn portemonnee. Die is versleten maar ja, kijk, zo draag ik hem toch mee.” Er zit een stapel foto’s in: van de zoon als kind, van haarzelf als jonge vrouw. Ik mag ze allemaal zien. We draaien het vierkanten-tafeltje om. In sierlijke krulletters schrijft ze haar naam: Petranella.

Een week later zit ik op dezelfde plek bij het raam, naast de entree. Petra staat buiten, ze zwaait naar me. Zodra ze zit, klap ik mijn laptop open en begin het stukje van vorige week voor te lezen. “Ha, ja!”, valt ze me in de rede, “en je kan ook heel erg lachen met homo’s; die hebben allemaal gevoel voor humor.” Ik lees verder, ze luistert rustig. Als ik even opkijk in de pauze van een komma, lijkt het of ze mediteert. Ook na afloop blijft ze even stil, dan zegt ze: “Nou ja! Van mij mag je het overal voorlezen, ook als de zaal vol is. Zet op internet maar een foto van mij van vroeger bij het verhaal!”  

Een jonge vrouw in het zwart, met het haar in een knotje op haar voorhoofd, staat al een paar minuten te kijken naar een thee- en koffiepot. “Gisteren heb ik het suikerpotje hiervan gekocht en heel de avond had ik spijt dat ik ze uit elkaar heb gehaald. Nu kom ik deze ook kopen.” Terwijl ze mee gaat tekenen, zet ik de potten op tafel. Het porselein is verzilverd. De labels tonen serieuze prijzen, hoger dan gemiddeld in de Kringwinkel. Petra pakt de theepot op: “Ik krijg misschien korting.” 

Ingehouden lachend komt ze terug van de kassa, de theepot in een krant gewikkeld. “Doe je tas maar open,” zegt ze, “niet zeggen dat ik hem voor jou heb gekocht, dan krijg ik hier ruzie.” De jonge vrouw is even sprakeloos, net als ik, maar opent haar tas.

Petra herschikt haar sjaal, ritst het ski-jack dicht en zegt: “Als je dood bent, kun je niets meer met je geld doen, hè.” Ze draait zich om en stapt de winkel uit. 

Foto beginpagina: Carlos Dekeyrel.

Galerij

Zo ziet concentratie er uit

Heen en weer lopend in Nova, om mijn plek voor de dag in te richten, ligt er ineens een kleine envelop op tafel. Er zitten tekeningen op briefkaartformaat in; velletjes vol lijnen: kort, lang, dun, dik, elk vel anders. Op mijn uitnodigingsbrief zijn met potlood heel subtiel patronen bijgetekend. Wat een mooie verrassing! Ik stop alles precies hetzelfde terug in de envelop terwijl ik me afvraag wie dat heeft gemaakt.

Ik wordt vrolijk begroet: “Gij houdt het hier nogal uit, hè!” Twee vrouwen kijken me lachend aan. Het zijn vrijwilligers. Sinds oktober werk ik in Nova, dat is dus dik drie maanden. Ik houd mijn lach in en antwoord dat ze voorlopig nog niet van me af zijn. Ik vertel van de verrassing die ik een minuutje eerder deed. Annemie, heeft zacht blozende wangen. “En weet gij wie of dat heeft gedaan?” vraagt Lot. Annemie haar kin begint licht te trillen. Ik zet een stap nader en kijk van dichtbij in haar ogen. Haar rechteroog dwaalt af. Ze ontwijkt mijn blik maar heeft geen talent om iemand voor de gek te houden. 

We openen de envelop. “Amai, hebt gíj dit gemaakt?!” roept Lot. “De vellen horen in een volgorde” zegt Annemie rustig. “Als je goed kijkt zie je dat overal symmetrie is, van links naar rechts spiegelen de patronen. Ik kon er niet mee stoppen toen ik eenmaal begonnen was. Midden in de nacht schrok ik wakker en wist hoe de patronen te tekenen. Dan stond ik op en ging verder en dat liep moeiteloos, zonder nadenken. Zo veel makkelijker dan overdag. Maar ik moet zoiets als dit dus niet vaker doen.” 

Annemie laat zich overhalen om mee vierkanten op tafel te tekenen, neemt een stift aan en draait die om en om in haar hand. Haar nagels zijn in perfecte ronding gevijld en hebben een natuurlijke nagelkleur. “Als je er niet juist tegen ons over was begonnen had ik nooit verteld dat ik het was” zegt ze. De buitenlucht weerspiegeld in haar bril, de zon schijnt en de lucht is nog steeds strak blauw. “Moet dat hetzelfde, zoals hier?” vraagt ze. “Iedereen tekent andere vierkanten,” zeg ik, “en soms ook iets anders dan een vierkant.” Ze kijkt me met licht gefronste wenkbrauwen aan. 

Aarzelend begint ze en drukt zó zacht op de stift dat er stippellijnen lijnen ontstaan. Iedereen die tekent heeft een ander handschrift, bij haar zijn er in het begin trillingen in de lijnen. Na een paar minuten kijkt ze op en zegt: “Ik geloof dat ik er in begin te komen. Kijk, zie je dat de vierkanten die ik zojuist tekende, achter de andere verdwijnen? Je kunt bedenken dat ze onder de vakjes die er al stonden doorgaan.” De zwarte en witte vierkanten op het tafeltje contrasteren om het hardst  met het bloemenpatroon van haar shirt. Ze steunt de elleboog op tafel en legt haar hoofd in de palm van haar rechterhand. Dan is ze verdwenen in het tekenen. Ze tekent bedachtzaam, lijkt na te denken over elke lijn. Haar mond is gesloten, ze ademt onzichtbaar door haar neus. Af en toe richt ze zich op om een ongewillige haarlok terug achter het oor te haken. Heel even bekijkt ze haar lijnen dan van grotere afstand. “Och nee, nu heb ik het verkeerd gedaan”, zegt ze zacht tegen zichzelf, “tss, hier heb ik ook al een fout.” Ze past de tekening aan. Nadat ik zeg dat er in deze tekening geen echte fouten gemaakt kunnen worden, kijkt ze me strak aan. Met haar ogen zegt ze dat ze dat zelf wel bepaald; dat ze mijn spelregel volgt maar haar eigen tekening tekent. 

Op de klok draaien de wijzers richting drie uur. Met een zucht leunt ze achterover: “Is het al zo laat! Dan hebben we meer dan een uur aaneen getekend.” Ze strekt haar armen en kijkt me aan: “Bedankt voor het tekenen, het is verslavend, hè. Wil jij verder het patroon inkleuren? Als er vakjes ingevuld worden ontstaat groter contrast, meer diepte. Ik denk dat je dat wel kunt.” zegt ze. Met een brede glimlach staat ze op en stapt naar de kapstok. 

Een week later zijn er nog meer tekeningen. Allemaal gemaakt op de achterkant van flyers. Alleen maar streepjes.

Galerij

Bewaren en weggooien

Witte voorwerpen en Ikea-tafeltjes worden betekend in het kunstproject ‘United Objects’, waarvan dit verhaal deel uitmaakt. Samen met bezoekers van ontmoetingsplekken in de stad teken ik vierkanten op de tafels en lijnen op de voorwerpen. De voorwerpen heb ik eerst witgeverfd. Ik heb ze gekregen van het MAS – museum aan de Stroom, het museum van de Stad aan de Stroom, Antwerpen. Het MAS heeft de voorwerpen ook gekregen en noemt ze de ‘Collectie Jaap Kruithof’. Professor Kruithof was een geruchtmakend filosoof. “Filosofie is er voor alle burgers ..,” schreef hij in zijn boek ‘Omgaan met de dingen’, in 1991. Het boek is een bundeling van korte opiniërende teksten die hij publiceerde en ook verkondigde op radio en TV. 

De verzameling van Jaap Kruithof bestaat uit 10.000 dingen. Het zijn alledaagse voorwerpen die zijn afgedankt en via kringloopwinkels en rommelmarkten aan een 2e of 3e leven kunnen beginnen. Hij verzamelde spaarpotten, schaaltjes, vaasjes, raamhangers in glas, letterbak figuren, poppen, souvenirs, kralen, veren en nog veel meer. Al deze dingen waren in de ogen van hun vorige eigenaren niet meer de moeite waard om te bewaren.

Wat schrijft Jaap Kruithof in zijn boek over bewaren en weggooien?

“Mensen bewaren wat voor hen in een of andere zin belangrijk is, wat ze onmiddellijk kunnen gebruiken of waarvan ze denken dat het later nog van pas zal komen. Weggooien doen ze met zaken die hen niet meer interesseren, hen onverschillig laten of hinderen. Ze zetten ze op straat of geven ze weg. Als ik het scherp formuleer, komt het hierop neer: bewaren is rekening houden met de toekomst, weggooien is het heden tot enige norm verheffen, … ”Hij schrijft niet alleen over bewaren en weggooien van dingen. “Weggooien heeft te maken met onzorgvuldig behandelen. Mensen kunnen daarvan eveneens het slachtoffer zijn, denk maar aan de slaven van vroeger, aan de proletariërs, die werden uitgewrongen en voortijdig stierven.”

“In onze tijd is de Westerse samenleving uitgegroeid tot een machine, die alles wil verbruiken en daarna weggooien. De wegwerpmaatschappij waar zorgeloos wordt geconsumeerd, geprofiteerd en verspild. Door verkwisting van energie en grondstoffen, door vervuiling van lucht, water en bodem –ook een vorm van weggooien- groeit een afvalberg waaronder wij met zijn allen dreigen te verstikken in de letterlijke zin van het woord.”

“Ons gedrag zou zich wel eens tegen onszelf kunnen keren, wat zeg ik, het keert zich allang tegen ons, maar wij gaan door omdat wij niet voor rede vatbaar zijn. De uiteindelijk machtige natuur zal zich wreken, ons mores leren met droogte, ontbossing, woestijnvorming, overstromingen en hongersnood. Er zijn veel krachtiger maatregelen nodig dan onze regering denkt. … Dat moet dringend, direct gebeuren. Ik ben benieuwd hoelang we daar nog op moeten wachten.” 

Het is niet moeilijk om in 2020 deze denkbeelden van Kruithof te herkennen en het belang ervan te zien. Het is mooi om een aantal voorwerpen uit zijn verzameling een nieuwe toekomst te kunnen bieden. Tekenen op de witgeverfde dingen genereert nieuwe betekenissen. Dat maakt niet alleen het tekenen, maar ook de dingen zinvol.

Een tiental mensen heb ik ontmoet, die zeggen college bij Jaap Kruithof te hebben gevolgd: “Het waren onvergetelijke colleges, de zaal was vaak te klein.”  “Ik studeerde geen filosofie maar bezocht zijn colleges omdat ze zo spannend waren; ik kreeg er geen studiepunten voor.” Een andere man, toen een jongen van zeventien, hoorde hem spreken op de Boekenbeurs in Antwerpen en daardoor: “Heeft mijn leven een radicale wending gekregen.”

Foto op blog: witgeverfde ‘Kruithofvoorwerpen’ terug in de Kringwinkel (Centrum) op 28 januari 2020.

Galerij

Bwaah, zó kan iedereen tekenen!

Elke week komt een jongen met zijn moeder naar ’t Werkhuys om de circus-cursus te volgen. Hij leert bijvoorbeeld op een grote bal lopen en acrobatie. Onlangs schreef ik over hem en zijn opa in het verhaal ‘De zachte kracht’. Zijn opa Walter komt vaak mee, altijd getooid met een klassieke zwarte hoed; zo een met een brede rand. Als hij binnenkomt zet hij hem af. Hij is héél enthousiast over United Objects, maar zelf mee tekenen? Lang heeft hij de boot af weten te houden, totdat Tine, die mij helpt in ’t Werkhuys, hem heeft kunnen overhalen. “Beloofd. In januari teken ik een keer mee!” zei hij een week voor de kerstvakantie.

Lachend: “Als ik mijn koffie op heb kom ik eraan, is dat goed?” Een kwartier later: “Willen jullie iets drinken? Ja? Wijn? Goed. Ga je zo meteen vertellen hoe het tekenen werkt?” En weg is hij. Ik kan me vergissen, ziet hij er tegenop? 

Maar kijk nu, Walter is de éérste deelnemer die zich zichtbaar heeft voorbereid. “Ik heb thuis zo ’s zitten proberen, maar ja, ik wist eigenlijk niet wat mocht. Mag er met vierkantjes bijvoorbeeld een hartje gemaakt worden? Ik heb altijd in de grafische industrie gewerkt. Nee nee, ik was geen ontwerper. Ik moest zorgen dat de verschillende drukgangen exact op elkaar pasten. Dat was een zéér precies werkje.” Hij laat de plastic liniaal zien die hij bij zich heeft. “Is het toegestaan om deze te gebruiken om vierkanten te tekenen? Ja? Ah…, dat is fijn, dank je,” zegt hij met een glimlach.

Hij trekt lijnen die iets korter zijn dan de liniaal en vult de hoek van de tafel met een strak raster. Er vormen zich zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. “Wat ik zó bijzonder vind is dat mensen zoals jij iets kunstachtigs zélf kunnen bedenken. Als je van jezelf zoiets kunt dan vind ik dat persoonlijk veel mooier dan zoals ik nu rechte lijnen aan het trekken ben en ruitjes opvul.” Al pratend vormt hij een hart in het raster. “Ik wil thuis toch eens een paar dingen verder proberen: of ik een vogeltje in ruitjes kan tekenen, met de pootjes en het bekje erop en eraan. Oh, of zoals jij dat nu doet, dat ze in perspectief zijn gezet, dat ze 3D lijken! Ja, als dat is toegestaan zou ik graag een meubeltje tekenen met glasraampjes. Dat klinkt misschien raar hè, maar het is een manier om precies wat meer diepte te tekenen. Nu ik je dat zo zie doen vind ik het zeker zo leuk, het geeft meer afwisseling. En het ziet er meer ruimtelijk uit. Ik wist gewoon niet dat zoiets mocht! Ik dacht dat het enkel allemaal ruitjes moesten zijn en die dan inkleuren.”

“Als kind maakte ik met plasticine huisjes met raampjes en een trein in dezelfde verhoudingen en gras en koeien, bomen, hele landschappen. Mijn grootvader was een onderwijzer. We droegen dan een stofjas en hij had een pijp in zijn mond en een klak op zijn hoofd.” Zachter sprekend: “Dat zijn allemaal van die dingen die sinds mijn twaalfde, dertiende jaar verdwenen zijn. En mettertijd denk je dan dat je niet kan tekenen. Je denkt dat de mensen gaan zeggen, bwaah, zó kan iedereen tekenen, zeg!” Hij komt met zijn hoofd dichterbij, ik zie zijn haar als door een vergrootglas. “Zelf heb ik dat ook wel eens bij grote kunstenaars zoals, allez, hoe heet ie… Picasso! Dan kun je zeggen dat het mooi is en ik weet dat een kind dat precies niet kan doen, maar toch denk ik eigenlijk… terwijl een Rubens, dat is mooi, dat is gelijk een foto. Hij haalt diep adem, pauzeert even en zegt: “Ik vind dat kinderen alleen maar complimenten moeten krijgen voor wat ze gemaakt hebben. Zelf kon ik nooit eens iets tot een goed einde brengen en dat heb ik misschien ook aan mijn eigen kinderen doorgegeven: een angst dat het toch niet goed zal zijn. Ik heb wel eens tekenles gevolgd waar dan een model of een vaas stond. ‘Wilt u het natekenen?’ was de opdracht. Ik probeerde dat, maar ik was bang me belachelijk te maken.” Hij kijkt me aan: “Liever probeer ik dan thuis eens iets waar niemand het ziet, of ik een hartje kan maken vanuit vierkantjes, of een vogeltje.”

Een week later, woensdag 15 januari
Galerij

Tattoeages en runen

Vandaag zit ik weer midden in Kringwinkel Merksem. Muziek uit onzichtbare luidsprekers brengt een ontspannen opgewekte sfeer. Dat is belangrijk in de drukke week voor kerst. De afgelopen weken tekenden ongeveer zeventig klanten mee vierkanten op het Ikea tafeltje. Het is een onderdeel van ‘United Objects’, een kunstproject dat ik op verschillende locaties in Antwerpen uitvoer.

Een kleine dame bekijkt met veel belangstelling hoe ik met twee bezoekers aan het tekenen ben. Dat komt niet zo heel veel voor; de meeste Antwerpenaren bewaren eerst afstand. Ik neem een slok koffie.  “Mmmh,” zegt ze, als ik verteld heb waarom ik hier ben en wat ik doe, “dit gaat mijn man leuk vinden. Ronnie is nog ergens anders in de straat aan het winkelen. Hij zal zo ook hier komen.” 

Vanaf dan begroet ik elke man die binnenkomt met: “Goedemiddag Ronnie!”

Een man met een baardsik in een zwart motorjack moet glimlachen om mijn begroeting. “Ronnie is een vrouwennaam,” zegt hij gedecideerd. “Wat bent u aan het doen?” Een baardsik is breder en langer dan een sik, maar smaller dan een baard. Er hoort geen snor bij. Vanuit het midden van zijn kin groeit de dikke pluk witte haren tot aan zijn borst. “Wilt u met mij vierkanten tekenen op deze tafel?” vraag ik, “Ik werk aan een kunstproject met de Jaap Kruithof Collectie.” De man maakt geen enkele aanstalten om de stift aan te nemen, die ik hem aanreik. “Jaap Kruithof. Wie mag dat dan wel zijn?” Terwijl hij spreekt tel ik minstens vier gouden tanden. Ik zie tatoeages op zijn gezicht, handen en vingers en als hij opzij kijkt, in zijn nek. Onder zijn oog is een tatoeage van een symbool. Het doet me denken aan oude tijden maar ik kan het niet thuisbrengen. “Jaap Kruithof was een bekende filosofieprofessor in België, vul ik aan.“

“Een filosoof. Kunst. Dat zijn grote woorden,” zegt hij, “onlangs was ik bij een lezing van een andere filosoof in Gent. Halverwege zijn lezing vroeg hij of er iemand een vraag had. Maar niemand had een vraag. Ik wel, ik heb altijd vragen. Wat is de mens? Volgens Nietzsche is de mens een brug tussen het Beest en de Übermensch.” Dit is het begin van een hartstochtelijk betoog dat ik niet helemaal kan volgen, ik raak afgeleid. Terwijl hij spreekt observeer ik hem. Zijn ogen zijn net zo lichtblauw als de mijne, hij kijkt helder en ontspannen. Hij heeft spierwit haar aan de zijkanten van zijn hoofd en een vakantiebruine huidskleur. Ik hoor dat zijn Vlaamse woorden, gemengd zijn met Duitse klanken. 

Ik ken heel zachtaardige mensen die van hoofd tot teen getatoeëerd zijn. Maar het grote hakenkruis op de rug van zijn hand, het doodshoofd op de andere, de oude tekens in zijn nek en het symbool onder zijn oog associeer ik met Nazi’s. Hij ziet er grofweg uit als het stereotype lid van een criminele motorbende. “De Übermensch leeft sociaal, zorgt voor anderen,” gaat hij verder, “Nietzsche was een misantroop.” 

Rond zijn ogen bewegen kleine rimpels, zijn huid is minder glad is dan het op eerste zicht lijkt. Ook op zijn handen en in zijn hals is een fijn rimpelnetwerk te zien. Deze man is ouder dan vijfenzestig, eerder zeventig. Voor een bendelid is zijn oogopslag te zachtaardig, ik zie met gemak voor me dat hij zijn kleinzoon knuffelt. 

“Onder mijn oog en in mijn hals, dat zijn runentekens. Die zijn heel belangrijk voor me. DNA analyse heeft aangetoond dat ik afstam van volken in de Balkan, Scandinavië en Duistland. Ik ben geboren in Oost Duitsland, maar voel me verbonden met het oude Germaanse volk. Ik leef alleen. Ik leid een teruggetrokken leven, ik spreek niet met veel mensen. Er zijn teveel mensen. Iedereen leeft op 20 vierkante meter. Zo’n twee, drie keer per jaar spreek ik eens met iemand, zoals nu met u. Als u veel van zulke gesprekken voert op een dag, zult u ’s avonds wel een zwaar hoofd hebben?” vraagt hij.

Daarmee is hij de eerste Antwerpenaar die zegt dat hij zich realiseert wat het effect van mijn werkwijze voor mijzelf is. Het opvallende uiterlijk van deze man is provocerend in zijn gewelddadige uiterlijk. Of hij zich ook gewelddadig gedraagt, weet ik niet. Van Hannah Arendt heb ik geleerd dat ‘het Kwaad’ er juist heel alledaags uit ziet.  

Meer informatie over runen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Runen

Galerij

Migrant uit Mokum

Om tien uur staan er al klanten te wachten tot de kringwinkel opent. Veel mensen komen omdat tweedehands spullen goedkoper zijn. Sommigen zoeken handel voor  een extra grijpstuiver. Een enkeling vindt een parel. Een maand geleden werd een vaasje van één euro voor vijf en halve ton geveild. Er zijn mensen die even hun huis uit moeten om onder de mensen te zijn. “Ik was in de buurt,” ik dacht “ik spring even binnen.”

In het kantoor staan twee agenten te praten met de coördinatrice van de winkel en vullen de ruimte helemaal. Hun uniform heeft fel oplichtende strepen. Aan de koppelriem zie ik een pistool, een spuitbus, een ploertendoder en onbekende dingen. De zilverkleurige handboeien zijn een sieraad tussen het zwarte gereedschap. Aan hun borst hangt een grote walkie talkie met antenne. De schoenen lijken licht opgepompt, alle attributen zijn ‘dik’. De agenten bewegen hun armen en bovenlichaam wat stroef. Ze staan er kalmpjes bij. In de winkel is niets van hun aanwezigheid te merken.

Drie vrolijke jonge gasten komen de winkel niet zomaar binnen, ze maken entree. Ze spreken Nederlands, Engels en Frans door elkaar. Hun kleding verraadt een voorkeur voor zwart en een vleugje bling. Ze zijn niet op zoek naar iets om te kopen. De jongste van hen: “Wat bent u aan het doen?” “Hier kun je vierkanten op tafel tekenen voor 1 euro per stuk. Strepen 1,50.” Soms raken mijn flauwe grapjes de juiste snaar. Geld blijkt een interessant onderwerp. “Wordt u beroemd? Hoeveel zijn die dingen op tafel waard?” De andere twee komen er bij, misschien zijn ze familie. Ze nemen een stift van me aan en beginnen vierkanten te tekenen. De jongste draait zich om en begint alle voorwerpen één voor één in de zakken van zijn jas te stoppen. Ook de pipo die Annemie heeft betekend. “Salut, hè!”, zegt hij met een stoïcijnse uitdrukking op zijn gezicht, en loopt richting uitgang. Bij de deur draait hij zich om, vouwt dubbel van het lachen. Een oudere vrouw vraagt of hij lastig is. “Nee hoor,” zeg ik “hij is helemaal in orde. Wilt u hem kopen?” “Hem?” roept ze, “hij is mijn zoon!”

“Oh, in dat geval kunt u hem misschien beter verkopen.” Ze kijkt me taxerend aan. Met een lachje noemt ze haar prijs: “Voor een kilo heroïne is ie van u.” Ons lachen rolt door de winkel.

Een kwieke heer komt binnen en heeft me meteen in de smiezen. Op mijn uitnodiging om mee te tekenen gaat hij zonder aarzeling in. Hij neemt de stift aan en draait de dop eraf. In zijn Vlaams hoor ik een bekende tongval. Ha, hij is geboren en opgegroeid in Amsterdam, waar ik meer dan twintig jaar woonde, waar mijn kinderen zijn geboren! Het maakt ons in twee minuten oude bekenden.

Toen ze getrouwd waren, lukte het Anton en zijn lief niet om woonruimte te vinden. Ook toen was er gebrek aan betaalbare woningen. “Zo is het gekomen dat we in 1965 naar Antwerpen gingen en in Merksem kwamen wonen. Reken maar uit, dat is dus vierenvijftig jaar geleden.” Behalve de uitkomst van de som verraadt een waasje over de ogen zijn leeftijd. 

“Kijk, als decoratieschilder was er genoeg werk toen, en nog steeds hoor.” Hij lacht met heel zijn gezicht. “Ik klim nog altijd een ladder op om het plafond te sauzen of een muur te behangen. Ik kan niet stil zitten, weet je.” Met elke zin spreekt hij meer Amsterdams; of verbeeld ik me dat? “Ik mis nog wel eens de directheid van Nederlanders. Hier duurt het langer voor je weet wat je echt aan de mensen hebt. Maar als ze je dan eenmaal omarmen kom je niet gemakkelijk meer van ze af”, voegt hij er met een knipoog aan toe. 

“Ik hou er van om reizigers te bekijken in de buurt van het Centraal Station. Dat is altijd zo mooi: mensen in beweging; misschien wel op weg naar de andere kant van de wereld of juist terug daar vandaan. Dat doe ik elke week een uurtje.

Maar eh, ajuparaplu, ik ga ik mijn vrouw halen. We gaan dansen.”

Galerij

De zachte kracht

Een man met zijn haar alle kanten op komt ’t Werkhuys binnen. Hij loopt naar onze tafel bij het raam en kijkt wat we tekenen. Met een papieren bordje geeft hij de jongen een vriendschappelijk tikje op het hoofd en loopt door naar de bar. De jongen merkt het niet. Mijn vraag hoort hij wel, en hij kijkt de man achterna.

“Dat is de circusmeester, ik zit op circusles. Er doet ook een meisje mee dat steeds dierengeluiden maakt. Dat snap ik niet.” De jongen spreekt enthousiast, zijn onderkaak mist een rijtje tanden.

“Mijn moeder is juf bij mij op school. Niet in mijn klas, dat is verboden. Ik ben in klas drie. Mijn moeder in klas 1.” Ontspannen maar geconcentreerd tekent hij vierkantjes op de tafelpoot. Ze worden na elk rijtje kleiner. “Mijn moeder heeft een keer op een beker van u getekend. Helemaal met strepen om de beker heen. Doet u dit tekenen met vierkantjes en strepen voor een goed doel?”

Ik antwoord dat het niet voor een goed doel is, dat ik kunstenaar ben. Dat ik het saai vind om in mijn eentje te tekenen en daarom in het lunchcafé ben.

“Een kunstenaar is toch iemand die voor het museum werkt?” 

Ik vertel dat ik dingen uit de Collectie Jaap Kruithof van het MAS kreeg, en die allemaal wit verfde. Dat ik ze mee neem naar ontmoetingsplekken om er met bezoekers op te tekenen, zoals met zijn moeder. Nu ik met deze jongen praat klinkt het als een ingewikkeld verhaal. Maar hij knikt energiek en zegt: “Het is leuk om te tekenen en juist heel gezellig zo!” 

De mensen van De Roma vertrekken. Elke woensdag zijn ze er met een groep. Op één man na, tekent niemand van hen mee. Ik ben benieuwd of dat gaat veranderen als ze me langer kennen.

“Een paar dagen geleden zou ik meedoen aan een reclame voor Turkije.” De jongen kijkt op van de kleine vierkanten die hij tekent. Zijn helder blauwe ogen laten de sproetjes blinken. “Voor tv.”

“Dan kun je veel geld sparen”, zeg ik. “Het is schandalig hoeveel daarvoor wordt betaald!”, zegt zijn moeder vanaf een paar tafels verder. Ze heeft haar bord bijna leeg. Haar vader eet soep. 

“Dat is mijn opa. Ik heb geen trek vandaag”, en hij tekent rustig verder. “De reclame ging niet door, ik was niet groot genoeg.” Zijn moeder rolt met haar ogen en sluit ze dan even. Ik zie maar weinig mensen die slapen, bedenk ik me. “Dank u voor het mee tekenen, ik moet nu naar de circusles.” Hoe weet die jongen de tijd? Er hangt nergens een klok.

Opa en moeder van de jongen beginnen een dobbelspel. Ze praten op een vertrouwde huiselijke manier met elkaar. Het geluid van de rollende stenen mengt zich met gespreksflarden en de blues uit de luidsprekers. Vandaag staat de muziek harder dan vorige weken. De bardame is eindelijk terug van een reis door Congo, waar ze een goede vriend bezocht. “Nee, dat was niet fijn.” Ik kijk haar verbaasd aan. “Het was traumatisch! Schietpartijen, niet te geloven. Mensen levend verbrand. Voor mijn ogen! Ik ben blij dat ik nog leef. Vannacht was de eerste nacht uit vijf zonder nachtmerries.” Ze vertelt met bibbers in haar stem. “Sorry, de verse munt is op.” Ze schenkt kokend water in het theeglas.

Om half vier komen snel na elkaar een Aziatische man en vijf vrouwen binnen. Ze begroeten elkaar uitbundig, opgewonden bijna. Ze draaien om elkaar en dan ineens, zitten ze rond een tafel. Ik realiseer me dat ik niet weet of het Japanners, Taiwanezen, Koreanen of Chinezen zijn. Twee dragen een soort judo pak. Behalve hun mond praten ze met hun handen, armen en ogen; in vloeiende bewegingen. De soep is klaar en wordt opgelepeld. Het gesprek gaat geanimeerd door. De man drinkt Westmalle tripel bij de soep, de vrouwen koffie en thee.

“Wij zijn hier al heel lang, hoor”, zegt de vrouw met kaarsrechte pony in onvervalst Vlaams. Ze glimlacht naar me. Ik voel me betrapt. “We doen hier Tai Chi.”